Overwhere – Purmerend

 

Purmerend Overwhere

“Het is niet mooi en het is niet lelijk, het is niet glad en het is niet hard, het hangt niet aan de muur en het verdomt te tikken bovendien. Je hebt, kortom, nergens een houvast. Loop je nu in Sappemeer of in Almere, in Amsterdam of in Buitenveldert? Geen idee, waar waren we gisteren ook al weer? De verpurmerending van Nederland gaat traag, maar onstuitbaar voort. Winkelpromenades, sierbestratingen, woon­erven en Keulse minipotten. Dat is wel het allerergste: de weigering om herkenningstekens aan te brengen, het loslaten van de levenslijn van een stad of een dorp.”

Gerrit Komrij  ‘Het Boze Oog’ (1983) 

Purmerend is ontstaan als kleine handelsnederzetting voor de visserij en scheepvaart tussen de (nog niet drooggemaakte) meren Purmer, het Beemster en de Wijde Wormer. Deze werden in 17e eeuw werden ingepolderd.

De stad werd het marktcentrum van de omgeving, maar het bevolkingsaantal groeide langzaam. Na 1960 is de bevolking gegroeid van ongeveer 10.000 naar ongeveer 80.000 inwoners. De stad ligt namelijk gunstig ten opzichte van Amsterdam. Veel voormalig inwoners van de hoofdstad, verschuiven naar Purmerend, terwijl ze in Amsterdam blijven werken.

In de wederopbouwperiode van 1960 krijgt Purmerend van de overheid een groeifunctie aangewezen.  In de Eerste Nota Ruimtelijke Ordening (1960) en de Tweede Nota Ruimtelijke Ordening (1966) werden de uitgangspunten van het groeikernenbeleid neergelegd. Men wilde de verstedelijking meer geleiden door speciaal daartoe aangewezen bevolkingskernen meer groei toe te staan dan andere. Dit planningsprincipe kreeg de naam ‘gebundelde deconcentratie.’ Het doel was om wel laagbouw in een groene omgeving te kunnen realiseren (de grootste wens van de bevolking), maar tegelijk te voorkomen dat het landelijk gebied volledig zou verstedelijken. Zo ontstonden de grote uitbreidingswijken Overwhere, Wheermolen, Gors, Molenkoog, Purmer Noord en Purmer Zuid.

Ons projectvoorstel voor Purmerend Overwhere raakt een aantal belangrijke vraagstukken van de toekomst;

  1. Hoe om te gaan met de enorme woningvoorraad uit de wederopbouw periode?
  2. Hoe kunnen we de stad vormgeven voor de zorgbehoefte die ontstaat door de vergrijzing?
  3. Hoe kunnen we gefaseerd een gebied ontwikkelen met herkenbare en gevarieerde leefomgeving?

 

 

Wederopbouw periode

“De woningvoorraad uit de Wederopbouw in Nederland bestaat uit ongeveer twee miljoen woningen.”

Beeldvorming

De algemene beeldvorming van buitenwijken is vrijwel onveranderlijk negatief, hoewel recente onderzoekingen uitwijzen dat vrijwel iedereen hier met veel plezier woont. Maar liefst 80.000 mensen wonen hier straks. Als je de aantallen van al die andere groeisteden erbij optelt kom je tot de conclusie dat er zolangzamerhand meer Nederlanders in dit type buitenwijk leeft dan in andere gemeenschapsvormen.

 

Idealistische perioden

De Wederopbouw (1940-1965), het was één van de meest idealistische perioden in de geschiedenis van architectuur en stedenbouw. Ideeën voor een maakbare samenleving werden op grote schaal in de praktijk gebracht. De galerijflat en de portiek-etagewoning worden gezien als mijlpalen van de volkshuisvesting: licht, lucht en ruimte kwamen binnen bereik van de massa. Door de grote woningnood en de beperkte productiecapaciteit was de Wederopbouw echter ook een schrale tijd. Die arme oplossingen en de onvolkomenheden van de technische bouwsystemen zorgen nu voor problemen. Bovendien blijken de wijkconcepten niet goed in staat om maatschappelijke veranderingen op te nemen. Het gevolg is dat de wijken tegenwoordig van grote historische betekenis zijn, maar (vaak) een geringe waardering krijgen. Eerder gebeurde iets soortgelijks met de binnensteden en de 19e-eeuwse stadsuitbreidingen. Tot voor kort werden ze als saneringsgebieden afgedaan (slecht bereikbaar, bouwvallig en vol sociale problemen), maar gaandeweg voltrok zich een kentering ten goede: het imago en het gebruik veranderden, zonder dat het historisch karakter verloren ging.

De naoorlogse stedenbouw laat een volledige emancipatie van het vakgebied zien. Een emancipatie waarin eerdere ervaringen, studies en experimenten tot volle wasdom komen in de geweldige opgave van de wederopbouw van Nederland. Wellicht kunnen we hier spreken van de eerste bloeiperiode van de moderne stedenbouw. Onderzoek, ruimtelijke compositie, infrastructuur, openbaar groen, voorzieningen, volkshuisvesting, recreatie en bedrijvigheid worden eigenlijk voor het eerst in een ontwerp met elkaar in verbinding gebracht. En dat alles met een enorm optimisme en het geloof in een betere wereld.

 

Herstructureringsopgave

De herstructureringsopgave staat uitdrukkelijk in het licht van het verleden. Het gaat niet simpel om aanpassen van meer of minder versleten stadsdelen aan de veranderende vraag uit de samenleving of aan de huidige inzichten. Nee, het gaat om de vraag in hoeverre de aanwezige kenmerken en eigenschappen van de naoorlogse wijken een bron vormen voor de transformatie van diezelfde woonwijken. En daarmee is de opgave een culturele opgave geworden.

Vanwege met name hun grootschaligheid sluiten veel woonwijken uit de Wederopbouw niet goed aan op de tegenwoordige wensen voor een woonomgeving: geborgen, herkenbaar en gevarieerd. Door hun verleden en ruimtelijke opbouw zijn de wijken anders dan alle andere stadsdelen. Dat verklaart gedeeltelijk hun huidige problemen, maar biedt tegelijkertijd een uitgelezen kans om er gedifferentieerde woonmilieus met een duidelijke identiteit en een herkenbaar karakter te ontwikkelen.

 

Kleinschalige interventies vs. grote structuur.

De naoorlogse wijken danken hun kwaliteit allereerst aan de grote structuur: de ruimtelijke opbouw, de geleding van de openbare ruimte en de groenstructuur. De grote structuur is zo sterk dat het veel kleine interventies aankan en het tevens nodig heeft om een verschil te creëren.  Daarom moet de ‘logge’ integrale aanpak (fysiek, sociaal, economisch) losgelaten worden ten gunste van kleinschalige interventies, waarvan een positief effect voor de omgeving kan worden verwacht.

 

Uniformiteit vs. Verscheidenheid.

Uniformiteit overheerst door de sociaal economische consensus, daarom willen we unieke woonmilieus en woontypologieën ontwikkelen en variatie zoeken. Renovatie van bestaande gebouwen draagt bij aan typologische verscheidenheid en uitzonderlijke woonmilieus, bijvoorbeeld toegespitst op ouderen, jongeren of kleine huishoudens. De mogelijkheid om verouderde typologieën om te zetten in bijzondere woonvormen dient met kracht te worden gestimuleerd

Zorg

“Onze bevolking vergrijst snel , heel snel. Vanaf 2013 zal het aantal ouderen versneld toenemen tegen 2040 zullen er in Nederland twee miljoen zestigplussers meer zijn dan vandaag. (2,7 miljoen in 2012 tot een hoogtepunt van 4,7 miljoen in 2041) Het aantal tachtigplussers zal meer dan verdubbelen. Dat betekent dat we 180.000 extra woon- en zorgplaatsen moeten voorzien. De cijfers zijn overweldigend en plaatsen ons voor een enorme opgave. Maar behalve een te lenigen nood, vormt het reusachtige bouwprogramma ook een opportuniteit, niet alleen om de zorg te herdefiniëren, maar ook om de stad vorm te geven.” Statengeneraal Woonzorg Brussel >> http://statengeneraalwoonzorgbrussel.be/

Zorg is vandaag onttrokken aan stad en samenleving. Zorgbehoevenden – zieken, ouderen, dementerenden, gehandicapten en geesteszieken – zijn weggestopt in daartoe gespecialiseerde instellingen. Dat zijn vaak grootschalige voorzieningen aan de rand van de stad die ontworpen zijn om de zorg zo efficiënt mogelijk te organiseren. Het zijn fabrieken van zorg. Vaak bestaan de gebouwen uit een centrale logistieke kern, van waaruit gangen vertrekken die lange rijen van identieke kamers bedienen.

Het ziekenhuiscomplex aan de rand van de stad is het prototype van de industrialisering van de zorg. Dit zorgmodel botst op zijn limieten. De zorgsector is de voorbije jaren immers sterk geëvolueerd. De zorgbehoevende is niet langer patiënt maar klant. Centraal staan de kwaliteit van de dienstverlening en het welbevinden van de zorgbehoevende. Ouderenzorg is ook meer en meer gediversifieerd. Zo hebben senioren andere behoeften dan hoogbejaarden of dementerenden. Ook de zorg behoeften onder dementerenden kan sterk verschillen. Er bestaat bovendien een maatschappelijk draagvlak om zoveel mogelijk in te zetten op zelfredzaamheid. Ouderen worden gestimuleerd om zo lang als mogelijk in hun vertrouwde omgeving te blijven wonen. De ontwikkeling van woonzorgzones en het faciliteren van thuiszorg en mantelzorg passen in dit perspectief. De nieuwe visie in de zorgsector heeft echter nog geen adequate ruimtelijke vertaling gevonden. De zorginfrastructuur hinkt achterop op de maatschappelijke gevoeligheden en praktijken.

 

Zorgsopgave

Het kabinet-Rutte II wil dat ouderen beschut wonen met enige begeleiding tot en met het beschut wonen met intensieve begeleiding en uitgebreide verzorging zijn of haar wooncom­ponent zelf zal gaan betalen. Dit heeft als gevolg dat er enerzijds een mindere behoefte aan intramurale (binnen de muren van een zorginstelling) voorzieningen zullen komen en dat er anderzijds een grotere vraag naar zelfstandige (de cliënt betaalt zelf) woonvormen zal ontstaan. Dit zal inhouden dat het ouderwetse verzorgingshuis (intramuraal) grotendeels zal gaan verdwijnen. Of dit heel erg is, valt te be­twijfelen. We hebben in het gebied meerdere zorgwoningen willen faciliteren waarbij tijdens verschillende zorg-fases en in verschillende zorgsituaties ook verschillende types zorg geleverd kunnen worden, maar de woning blijft dezelfde.

 

 

Herkenbare en gevarieerde leefomgeving

 

Openbare ruimte

In de enorme hoeveelheid groen hebben we geprobeerd om nieuwe elementen aan te brengen om op die manier herkenbaarheid te creëren. Tevens willen we de grote hoeveelheid openbaar groen verkleinen en die aan verschillende doelgroepen toewijzen.

We stellen voor om vooral het groen langs de randen te verdichten om een heldere stadsring de grens van het hart van Overwhere te laten begeleiden. Daarbinnen kennen we een aantal clusters. Een enorm bloemenveld rondom het huidige zorgcomplex en verschillende hofjes waar alleen de bewoners kunnen rond lopen. Een aantal pleinen worden toebedeeld aan verschillende groepen. Schoolpleinen, een zorgplein en voetbalkooien zorgen dat verschillende groepen de ruimte programmatisch gaan adopteren. Hierdoor ontstaat sociale veiligheid en een natuurlijke controle, mede omdat altijd woningen of organisaties zicht op de verschillende plekken hebben.

 

Infrastructuur

Waar de Salvador Allende laan door zijn enorm brede profilering eerder een blokkade vormt dan een verbindingsweg, dienen meerdere oplossingen te komen om de barrière te slechten. Alle functies liggen met de rug naar de weg toe en dienen zich naar de straat te openen. Tevens dienen overgangen gemaakt te worden waarbij de voetganger centraal staat en niet de automobilist. Verkeersstromen dienen op deze plekken niet gescheiden te worden. Tevens hebben we een karakteristieke overgang bedacht voor de schoolkinderen. Doordat overmaat en scheiding centraal stond in de infrastructurele oplossingen van de wederopbouwperiode, hebben we de mogelijkheid onderzocht of het verkeer op de Professor Meester P.J. Oudlaan er uit gehaald kon worden en het daar verdicht kon worden met zorgwoningen, die dan in het groen zouden komen te liggen.

 

Woningen

We hebben gezocht naar verschillende harten voor verschillende leefomgevingen. Veelvoud, maar ook juist concentratie. Urbane blokken voor starters, zorgwoningen in verschillende typen voor ouderen, gezinswoningen aan de randen en de poortwachters zorgen voor een herkenbare entree van het gebied.

Om een plan als dit te laten slagen is de inbreng van alle betrokkenen (marktpartijen, overheid, bewoners en specialisten) cruciaal.

for        :  Jo Coenen Architecture & Urbanism

city       :  Purmerend , Netherlands

client   :  Gemeente Purmerend

 

 



Reacties zijn gesloten.